Paula Buit

19 oktober 2018 11:46

Laat leefstijl geen geneeskunde worden

“Laat leefstijl geen geneeskunde worden, maar een onderdeel van het normale leven. Dat zegt Paul Habets, voorzitter Vitaal Vechtdal in zijn opiniestuk voor @nrclive”

Ten gevolge van slechte hygiëne werd de bevolking in de 19e eeuw geteisterd door epidemieën van infectieziekten. Artsen vertelden wat er moest gebeuren: zorg voor schoon water en riolering. Ook deze eeuw kent een epidemie, namelijk die van ongezonde leefgewoonten. Deze epidemie eist minstens zoveel doden als de infectieziekten van weleer. Hij valt echter minder op want slechte leefgewoonten knagen maar langzaam doch zeker aan iemands gezondheid. Tegen de tijd dat een chronische ziekte zich openbaart, zijn er al zo’n 30 jaar met ongezonde leefgewoonten verstreken. Vanaf dan is het voor dokters en patiënt een kunst om verdere schade te beperken. Terugkeer naar beter en gezond is vrijwel onmogelijk.

Tegen de tijd dat een chronische ziekte zich openbaart, zijn er al zo’n 30 jaar met ongezonde leefgewoonten verstreken

Handen vol aan toenemende zorgvraag

Net zomin als zorgverleners in de 20e eeuw riolering of waterleiding aanlegden, is het nu primair aan hen om Nederlanders gezonder te laten leven. De gezondheidszorg heeft de handen meer dan vol aan de toenemende zorgvraag. Die toename komt door de groter wordende groep 60+ers die opgroeide in een industrialiserende maatschappij waarvan meer dan 50% van de volwassenen rookte en aandacht voor werk- en leefomgeving nog geen issue was. De krimpende arbeidsmarkt versterkt de druk op de curatieve zorg nog meer. Er is nog een reden waarom het onlogisch is om zorgverleners met het gezond houden van mensen te belasten: zolang iemand zich gezond voelt, komt hij hoogstens één uur per jaar bij een zorgverlener. Een mens is zo’n 5500 uur wakker per jaar. Hoe zou een zorgverlener in dat ene uur die megaklus van gezond-gaan-leven kunnen klaren? De overige 5499 uren is iemand thuis, op het werk of op school. Daar is geen dokter of verpleegkundige, maar moet het gezond leven wél in de praktijk gebracht worden. Dat is in het belang van de gehele maatschappij: geen bedrijf, school of gemeenschap kan draaien zonder gezonde mensen.

De oplossing voor deze leefstijlepidemie is om mensen vanaf jonge leeftijd te stimuleren gezond te leven.

De oplossing voor deze leefstijlepidemie is om mensen vanaf jonge leeftijd te stimuleren gezond te leven. Scandinavische en Angelsaksische landen brengen dit al tientallen jaren in de praktijk. Zij kennen een gezondheidssysteem waarbij de eerstelijnszorg is toegerust met personeel voor zowel curatieve als preventieve taken. Het huisartsenteam wordt ingezet als ambassadeur voor gezond-leven. Op populatieniveau wordt door gemeente, werkgevers en scholen stelselmatig en gezamenlijk gewerkt aan voorlichting en stimuleren van gezond gedrag. Daarmee wordt op regionaal niveau één heldere boodschap uitgedragen: gezondheid is belangrijk en u kunt er overal aan werken! Dus niet alleen in de spreekkamer van de arts, maar ook in de kantine op werk en sport als op school en in de wijk. Het slaan van een brug tussen werkgevers, scholen, gemeenten en zorg om gezond-blijven als een gedeelde verantwoordelijkheid te zien moet vrijwel overal in Nederland nog uitgevonden worden.

Transitie naar preventie

In het Overijsselse Vitaal Vechtdal wordt sinds 2012 uitvoering gegeven aan deze transitie. Zorgverleners, gemeenten, werkgevers en scholen sloegen de handen ineen. Financiering van het initiatief blijkt immens ingewikkeld, ondanks dat opeenvolgende ministers en politici het een indrukwekkend initiatief vinden. Zonder doorzettingsvermogen, leiderschap en overtuiging in deze gezamenlijke aanpak was het initiatief al lang gesneuveld. Dan had iedereen zich weer teruggetrokken in het eigen domein en was preventie weer terug in niemandsland. Maar er is hoop: inmiddels heeft preventie zelfs in het regeerakkoord van Rutte III een plek gekregen.

Er is hoop: inmiddels heeft preventie zelfs in het regeerakkoord van Rutte III een plek gekregen.

De uitdaging om, wat in het Vechtdal voor ruim 100.000 inwoners wordt uitgevoerd, ook voor 17 miljoen mensen te gaan laten werken, is echter enorm: het vereist een gezamenlijk statement van werkgevers, onderwijs, gemeenten en zorgpartijen dat leefgewoonten er echt toe doen. Daarna kan gestart worden met regionale programma’s waarbij het niet uitmaakt of je wijkbewoner, scholier, werknemer of patiënt bent, want ieder gezondheidsprogramma is op al deze plaatsen herkenbaar en toepasbaar. Dan wordt het ook tijd dat de strikte scheiding tussen curatieve en preventieve zorg plaats maakt voor lokale samenhang. Nu slagen maar weinig GGD-en erin om ondersteuning te geven aan lokaal geïntegreerd gezondheidsbeleid.

De ‘gemeenschappelijke regelingen’ waarin de GGD met vele gemeentes tegelijk vastlegt welke taken er zullen worden uitgevoerd, dragen niet bij aan een verbinding met de curatieve lokale eerstelijnszorg. Deze generieke afspraken bedienen slechts de grootste gemene deler en daarmee kom je niet snel boven het algemene preventie maaiveld van consultatiebureau en jeugdarts uit. Dat is doodzonde omdat juist de kennis van de GGD op populatieniveau complementair kan zijn aan de kunde van de lokale zorgverleners als het gaat om het bereiken van de individuele patiënt. Dan kan een GGD, die door de burger zo sterk en makkelijk negatief met overheidsbeleid wordt geassocieerd, onderdeel worden van een door velen vertrouwd eerstelijns zorgsysteem. En kan wellicht een wetenschappelijke verantwoorde folder plaatsmaken voor een op de lokale populatie aansluitende methode van uitleg en oproep.

Deze aanpak om ongezond gedrag om te buigen is kansrijker dan alle goed bedoelde maar losstaande initiatieven. Daarmee wordt leefstijl geen hoofdtaak van geneeskunde, maar een onderdeel van het normale leven. En daar hoort het: thuis, op het werk en op school.

Paul Habets, huisarts en voorzitter Stichting Vitaal Vechtdal. Hij is mede-initiatiefnemer van deze regionale beweging. Vitaal Vechtdal zet gezamenlijk in op gezondheidspreventie vanuit werk, onderwijs en woonomgeving. Want nú voorkomen, betekent straks niet ziek zijn.